Verhalen‎ > ‎

De toren van de Nederduitsch Hervormde Kerk in Vriezenveen

In PDF 

De toren van de Nederduitsch Hervormde Kerk in Vriezenveen

 

Torens zie je vrijwel alleen bij kerken, meestal vast aan de kerk verbonden maar ook wel los van het kerkgebouw. Vaak bedoelen we met een kerk het kerkgebouw inclusief de toren. Voorzover de kerktorens nog bestaan natuurlijk. Nieuwbouw kerken hebben vrijwel nooit een toren, het zijn geldverslindende objecten. Torens hebben een functie. Je hebt watertorens, torens bij kastelen die de functie van bewaking/beveiliging hadden, torens verbonden met dikke muren gebouwd ter verdediging van een stad etc. Kerktorens waren uitzichtpunt tegen vijanden of brand; het zijn oriënteringspunten voor mensen. In een kerktoren hangen klokken die geluid werden bij brand of ander onraad, bij begrafenissen, bij feestelijke gelegenheden en ze luiden de godsdienstoefeningen in. Er zitten uurwerkmechanismen in die aan alle vier zijden van de toren de tijd aangeven. Op een toren staat meestal een symbool; op de meeste protestante kerktorens staat een windhaan of weerhaan, katholieke kerktorens hebben vaak een kruis. Beide hebben een betekenis. De betekenis of doel van een kerktoren zijn dus divers. Dat aan torens een functie voor uitzicht in verband met oorlogsdreiging etc werd toegekend, blijkt nog eens weer duidelijk uit de Franse tijd. Napoleon hechtte daaraan grote strategische waarde en bepaalde bij wet dat de eigendom van de bestaande torens bij de municipaliteit, de gemeente, moest liggen. Dus kwam ook het onderhoud daar te liggen. Zo had de overheid de vrije beschikking over de torens. We staan in dit verhaal even stil bij de kerktoren van Vriezenveen.

Hessel Boonstra.

 

De toren in Vriezenveen

Een toren in Vriezenveen is er al heel lang. Op een oude kaart uit de 17e eeuw (1628) zien we aan de tweede (of derde, dus Buterweg of Oude Weg) vestiging van Vriezenveen, al een kerkje getekend met toren. Die stond daar al lang, volgens Jan Kruijs al heel lang. De Vriezenveense schout Jan Kruijs weet ons in 1819 te vertellen dat de toren daar waarschijnlijk al een paar eeuwen stond voordat hij met de kerk in 1666 werd overgeplaatst naar de huidige plek. Hoe lang, dat is niet bekend. Onze schout vertelt ook niet waar hij zijn wijsheid vandaan heeft, er is geen door hem aangehaald document waar dat instaat. Wel bekend is dat de kerk in Vriezenveen al genoemd wordt in 1404, in een akte van 25 april van dat jaar (regest nr 156 uit de regestenlijst van Huisarchief Almelo, HCO, Zwolle):

Beatrix, jonkvrouwe van Almelo en haar zoon Egbertus, jonker van Almelo, en de parochianen van Vresenvene stichten met toestemming van heer Gherhardus de Byvorden, pastoor aldaar, een vicarie ter ere van God, Maria en St Nicolaus in de parochiekerk van Vresenvene en schenken hieraan een halve hoeve land gelegen tussen de hoeven van Bernardus de Rijsen en Petrus Petri genaamd Stubben”.

Of daar altijd al een toren bij gestaan heeft is onduidelijk, maar het zou zo kunnen zijn.

Of dat dezelfde toren is die verplaatst is in 1666 na het geharrewar met de bisschop van Munster mag worden betwijfeld. Er is namelijk een akte van aanbesteding van de graaf en de kerkmeesters aan Albert Leyendecker uit Rijssen voor de bouw van een nieuwe kerktoren en die akte is van 1640. Met dat document kunnen we dus met zekerheid zeggen dat er voor 1640 ook een toren was, en aangenomen mag worden dat die toren oud was want een nieuwe toren vervang je niet.        

Tussen 1640 en de verplaatsing in 1666 (tenminste, volgens Jan Kruijs) zal er niet nog eens een  toren zijn gebouwd. Men zou kunnen zeggen dat de toren die in 1923 is gesloopt een leeftijd had van bijna 300 jaar (met natuurlijk de nodige reparaties)!! Toen Kruijs in 1819 zijn gehele verhaal deed over de situatie rond de kerk, de pastorie en de toren, was die laatste dus 179 jaar oud.

Van E. Berkhof heb ik de vertaling van de aanbesteding in 1640:

 

Opdracht van aanbesteding acte 29 januari 1640, kerkmeesters waren: de edele Berent Scholten, Frerick Egberts en Hendrick Schuirman.

De toren moest ongeveer 62 voeten lang worden en op eigen kost en drank getimmerd te worden en gedekt voor 600 karolinger guldens en twee rozenobelen voor zijn huisvrouw en 2 rijksdaalders voor …..(onleesbaar) door Aelbert Leijendecker te bouwen. De Vriezenveners moesten hout en ijzerwerk leveren. De nagels voor het dekken van het dak moet Leijendecker zelf bekostigen. Leijendecker moet daarvoor ook de twee oude schilden uit de kerktoren verwijderen en opnieuw plaatsen. Verder komt Leijenecker nog een ton bier toe voor de arbeid tijdens het timmeren. Hij mag 1000 leitegels gebruiken die in de kerk nog in voorraad zijn.

 

De gegevens die er van de toren zijn, b.v. uit de 18e eeuw, zijn vrij summier zonder dat er een redelijk verhaal van te maken is. Die staan hier achterelkaar vermeld.

We beginnen met een aantal gegevens uit de 18e eeuw die bij elkaar verzameld zijn door dokter Lambertus Jonker tijdens zijn nasporingen in het archief in Overijssel. Hij vond ze in  bewaard gebleven oude gemeenterekeningen van het schoutambt Vriezenveen.

 

Er werd in de 18e eeuw ook begraven in de kerk in Vriezenveen. Het kerkgeld was op, het kerkfonds was leeg en er moest geld gegenereerd worden. Het eerste deel van het hiernavolgende document is vervallen, maar dat betreft hoogstwaarschijnlijk de aanhef van wie het document afkomstig is, nl. het gemeentelijk en kerkelijk bestuur van Vriezenveen; in het tweede deel staat het antwoord van Almelo:

 

………………..Vriesenveen, geven namens deselve en de andere kerkmeesteren van het
Vriesenveen te kennen dat de reparatie en onderhoud van de kerk van gemelde Vriesenveen al vrij veel penningen verijscht, gemerkt het fonds van de kerk voorn: niet sufficient (voldoende) is tot het onderhoud derselve, en vermits geen beter fonds ten dien zijnde zoude kunnen worden bedagt, als dat door U Hoog Geboren een vaste … omtrent het begraven der (een deel van het document valt hier weg, maar er zou gestaan kunnen hebben als vervolg: lijken in de kerk van het Vriesenveen)

Het kerkregt omtrent het begraven der lijken in de kerk van het Vriesenveen sal worden betaalt in gelijkheijd als die van het gerigte in stad van Almelo hetzelve in desen komen te betalen, intussen die geene die in gebreeken gebleven te sijn, binnen de tijd van twee jaar en zes weken, het gemelte kerkregt als van ouds gebruikelijk te betalen sonder verder verwijgering aan boven gemelte kerkmeesteren promijstelijk (als beloofd) hebben te voldaan
Almelo, den 25sten januari 1746. Was getekent APZ Graaf van Rechteren Almelo
Pro vera Copia, Nicol. Harwig, secretaris.

Het kerkregt voor het begraven van overledenen in de kerk werd dus een nieuwe fonds.

De volgende “in de kerk begravingen” zjin gevonden:

 

Op het verzoek van de weduwe  Adolph Henrick Herwig, schoolmeester op het Vriesenveen, houdenden dat het lijk van wijlen haer man voornoemt in de kerk aldaer mogte werden begraeven. So is ’t dat het gemelte verzoek hier mede werd geapprobeert mits dat het kerkregt door de gemelte weduwe werde betaelt. Actum op den huijse Almelo, den 21 sten april 1756
Onderstond, APZ Graeff van Rechteren Almelo.

Het wordt door mij onderschreven, als patroon van de kerk te Vriesenveen, aan Jan Schol kragt deses toegestaen, om het lijk van desselfs kind in de kerk aldaer te begraven, mits het kerkregt betaelende.
Almelo, den 19 april 1769.
APZ Graeff van Rechteren Almelo

Het wordt kragt deses bij mij ondergeschreven toegestaen, dat het lijk van de weduwe Nicolaes Harwig in de Vriesenveensche kerk mag erden begraeven, mits het kerkregt betaelende.
Almelo, den 26 october 1764, APZ Graeff van Rechteren Almelo.

APZ Graeff van Rechteren Almelo, Op verzoek van de secretaris Nicolaas Herwig, houdende dat het lijk van desselfs schoonzoon Jan Dort(?) in de kerk van ’t Vriesenveen mogte begraeven worden, soo is ’t dat het selve kragt deses werd toegestaen, echter onder die mits, dat het kerkenregt als van ouds werde betaelt. Almelo, den 31 januari 1759.
Onderstond, APZ Graeff van Rechteren, pro vera copia Nico. Harwig, secretaris.

Het verzoek om Lucas Faijer in de kerk te Vriesenveen te moogen begraven, wordt door mijn kragt deeses geaccordeert, mits het kerkenregt daertoe staende betaelende.
Almelo, den 5 december 1763. Was get. Graeff van Rechteren Almelo.

Copia
Op het voorstel en verzoek van …… (onleesbaar) kinderen om de nu overleden weduwe van wijlen de scholtus Claas Cruijs, heeden op den huijs Almelo gedaan, word van har kragt deeses gepermitteert om het doode lichaam van haar voorschreven moeder op morgen in de kerk te Vriesenveen te mogen laten
begraven.
Actum, Almelo den 4 april 1754. (was getekent) Gerhard J Boom

 

De gemeenterekening 1731 geeft aan dat toen de kosten van het luiden voor brand 7 stuiver was. Büter Berent kreeg in 1731 voor het luiden van klokken f 17,-- .

Blijkbaar is er een mankement geweest aan één van de klokken in 1754, want Lubbert Smidt kreeg toen voor het smeden aan de klokken en in de weeme 8 gulden.

Claas Jansen de Jonge geeft in een rekening van arbeidsloon in de weeme en aan geleverd hout aan de toren en kerk en school 15 gulden en 9 stuivers.

In 1756 vraagt Gerryt Schypper 10 gulden en 6 stuiver voor het verhangen hebben van de grote klok en enkele andere werkzaamheden.

In datzelfde jaar maakt Jan Roelofs Smyt de klepel in de grote klok en samen met andere werkzaamheden voor de gemeente krijgt hij 31 gulden en 5 stuiver.

Claas Jansen de Jonge geeft aan in een rekening:  gewerkt aan de klok en elders, samen 3 gulden en 9 stuivers.

 

1753: Onderstaand heeft niet betrekking op de toren maar wel op de kerk en kerkegronden van Vriezenveen. We zien hier toepassing van een staaltje grafelijke reprimande wanneer men langs de rechten en privileges van de graaf heenging.

…………… Almelo en vriesenveen en mij in mijne qualiteit als Heer en unicus collator  aan de kerk, pastorije, costerije, school en wat dies meer is op ’t Vriesenveen competerende. So is ’t dat ik deselve regten na mijn uijterste vermogen willende bewaeren en handhaven en soo en doen op genehande wijse kunnende nog willende gedogen goetgevonden hebbe, in de eerste plaats de arbeijders en handwerkslieden tot het repareren der Wheeme te Vriesenveen tegenwoordig gebruijkt wordende, mitsdesen seer ernstiglijk te gelasten om op insinuatie deses met hun begonnen arbeijt stil te staan
sonder daer mede in genen deele te mogen voortvaeren op paene (straffe) van mijne nadere dispositie tot derselver laste, en in de tweede plaats den predicant Brouwer niet min serieuselijk te recommanderen eenige reparatie aan de Wheeme te versoeken ofte laten geschieden dan alleenlik an den heere van Almelo en Vriesenveen ende met sijn Hooggeboren Gestrenge order en goedvinden, en oplettenheijd te gebruijken tegens alle handlingen strijdig met de regten en privilegien der Vrij Heere van Almelo en Vriesenveen op het Vriesenveen competerende en deselve in tijd op den huijse Almelo aan te geven. Ende opdat dese mijn welmeninge ter kennis en van predicant en
voorschreven erklieden gebragt worde; word de scholtus van het Vriesenveen hier mede gelast dese mijne ordre ten spoedigsten gerigtelijk te doen insinueren, deselve scholtus teffens seer recomanderende om voorthaan agtervolgens  sijn pligt en eed aan mijn handen afgelegt alle
oplettendheijd te gebruijken tegen alle handelingen strijdig met de regten en privilegien der VrijHeer van Almelo en Vriesenveen, competerende deselven in tijds op den Huijse Almelo aan te geven
Acte op den huijse Nordeurningen, den 8 augustus 1753
Was getekent JL Graaf van Rechteren
Bovenstaande order van Zijne Excellentie den Heere Graave van Rechteren is
door mij ondergeschreven aan de predicant Brouwer vertoont en door sijn
eerwaarde gelesen en op deselver versoek een gelijkluijdende van dien en
sijn eerwaarde overgegeven

 

Blijkbaar zijn kerkmeester en de predikant bezig geweest zelf reparaties of anderszins aan te laten brengen aan de wheeme (pastorie of pastoriebezittingen, wheemelanderien zijn pastoriegronden). Dat heeft de wrevel bij de graaf gewekt omdat hij collator en patroon was van de kerk in Vriezenveen, wat inhield dat hij alle benoemingen van functionarissen moest goedkeuren, maar ook alle veranderingen aan de complete weme. Je kon dus geen spijker inslaan of je moest toestemming hebben. De graaf laat hier zijn tanden zien en wijst op zijn rechten waar niemand zich mee moet bemoeien. Ook de schout krijgt een gevoelige tik op de vingers dat hij beter moet opletten wat er in zijn schoutambt gebeurd en dat hij de rechten van de graaf moet erkennen en verdedigen; daartoe had hij een eed afgelegd.

 

 

Het jaar 1754: er is aan de kerk en waarschijnlijk toren, het e.e.a. geschilderd:

De marmel koleur (marmerkleur)                                                           f 8,--
Voor 6 gulden bar lijns blauw (Berlijns blauw)                                        f 6,--
Tot 3 reijsen gevernist met beste witte fernis                                         f 30,--
Voor 5 gulden goud verve                                                                   f 5,--
Nog boven de ontvangene 60 gulden verschooten aan goud 30 gulden f 30,--
Engels rood agter het orgel mede geverft                                            f 1,10
1 gulden zwart                                                                                     f 1,--
Arbeijdt van het vergulden met het wapen                                             f 30,--
Gearbeijd met ons beijden 85 dagen                                                    f 85,--
                                                                                                         f 290,15
Na de overgegevene rekeningen:
De Beeltijes drie stoelijes met het loofwerk bovenop de kap
Geschildert en an verguld, is te samen                                                 f 5,05

 

In 1756 en 1762 staat de klokkenluider te boek voor 16 gulden. Dat was ook nog steeds de beloning De gemeenterekening 1791 geeft aan dat Berent Lucas twee nieuwe wurgers in de klokken heeft gemaakt voor 8 gulden.

In 1797 kreeg Gerhardus Harwig voor klokkensmeer en touw 10 gulden 5 stuiver en 8 penningen, aan Koppeljan werd betaald voor reparatie aan het uurwerk 4 gulden en 10 stuiver en aan Gerrit Jansen de Smyt 9 gulden.

In 1819 was Albert Meulenbeld klokkenluider. De jaarwedde van de klokkenist (degene die over het uurwerk gaat) was in 1821 f 12,--.

Bovendien heeft Gerrit Jansen Smit ijzerwerk aan de toren en uurwerk gemaakt voor 12 gulden en 5 stuiver.

 

Meer tekening in de zaak van de toren en de klokken komt er in de periode 20 jaar vóór en in de tijd van de Franse revolutie, een roerige tijd ook voor Vriezenveen.

In 1776 werden er maatregelen genomen met betrekking tot de kerk en de toren. Het is een poging om te komen tot een nieuw kerkgebouw met toren, wat pas zijn beslag kreeg in het begin van de 19e eeuw.

 

In 1776 schreven schout, kerkmeesters en zestienen een brief aan de graaf van Almelo:


Hoog gebooren gestrengen Heer de Heer JRBR Grave van Rechteren Heer tot Noorddeuringe etc etc etc. als repreesenteerende Heer van de Heerlijkheijd Almelo en ‘t Vriesenveen.
De scholtus, kerkmeesteren en sestienen van het Vriesenveen smeeken ootmoedig verlof aan U Hoog Gebooren Gestrenge met verschuldigde allerdiepst respeckt, te moogen voordraegen hoe dat het U Hoog Geboren Gestrengen bekend zij dat de kerk en tooren van ’t Vriesenveen door ouderdom dermaaten vervallen is dat de gemeente in de kerk om ’s Heeren alleen lofwaerdigen naam te looven en te verheerlijken, en ’s Heeren zeegen en genaede voorligt en eeuwigheid af te smeeken Gods heilig en alleen ter Zaligheijd leident Woord aan te hooren en de Heilige sacramenten te gebruijken, niet of nauwelijks zonder gevaer van haer leeven meer vergaderen kan, dat de Schrick en Vreese voor dat ogenschijnlick gevaer so groot onder het volk geworden is, dat de menschen aldaer vergaedert beducht dat de kerk werkelick instortede, reets tot twee malen toe op den tijd van den openbaaren godsdienst met ontzettinge de kerk verlaeten hebben, dat ook het gevaarte veel te klein of geenszins vatbaar is voor de groote gemeente van het Vriesenveen. Zij supplianten, genoodzaekt geworden, hebben om na middelen om te sien genoegsaam om een nieuwe kerk te bouwen en den tooren te repareren, dat zij vermeendt hebben dat geene genoegsaame ordinaire inkomsten daertoe voor handen zijnde, het eerste en gereetste middelen aan de daartoe benodigde penningen voor een gedeelte te vinden was, dat zij beproefden hoeveel de ingeseten bij vrijwilligheid daartoe wilden geeven, en dat zij zulks beproefd hebbende met voorkennisse en agreatie van U Hoog Gebooren Gestrengen als patroon en collator in hunner groote blijtschap, dat de goede ingesetenen van hun veen, aangespoord door enen welmeenende, ijver voor ’s Heeren huijs, zich wel hebben willen verpligten om te samen in den opbouw van een nieuwe kerk en tooren op te brengen een summa van ca ses duijsendt caroli guldens, dat zij supplianten, in ernstige overwegingen genomen hebbende aan de eene zijde dat deese somma ter bereikinge van hun goed oogmerk niet genoegsaem is, en aan de andere zijde van de lijfdadigheijd en zucht voor onse naer ’s Heeren Woord Hervormden godsdienst van U Hoog Gebooren en Hoogdesselfs Ehegemalinne en van de kragtdadigen invloed welken het voorbeelt van U Hooge auctoriteit van Uwe en Hare Hoog Gebooren niet kunnen naelaten op de burgeren en ingeseten der stadt Almelo te hebben, te raede geworden zijn en zich met allerdiepst
respeckt tot U Hoog Graefflijke Excellentie te wenden met zeer needrig en ootmoedig verzoek.
Dat het U Hoog Graefflijke Excellentie grootgunstelijk behagen mag den aanbouw van een nieuwe kerk en de noodige reparatie aan den tooren te Vriesenveen alwaar U Hoog Graefelijke Excellentie als representeerende Heer van Almelo en Vriesenveen eenigen patroon en collator van de kerk en tooren
is, toe te staan en daar toe een liberaele Gifte en om uwe Hoogste desselfs auctoriteijt en goede directie het daarheen wenden en te dirigeren dat ook de burgeren en ingeseten van Almelo daartoe zoo veel ijders zucht tot den openbaren godsdienst en stichtingen van zijnen naasten, hem te geeven sal beweegen contribueeren en eijndelijk dat U Hoog Graefelijke Excellentie eenen bekwamen architeck gelieven te autinseeren tot het maeken van een bestek en begrootinge van de costen van de meer gemelde nieuw aan te bouwen kerk en tooren”.

In deze brief leggen gemeentebestuur en kerkbestuur de slechte toestand van kerk en toren aan de graaf voor.  Zo slecht, dat de gemeente al twee keer tijdens een kerkdienst de kerk uitgevlucht zijn vanwege gevaar van instorting. Alle gemeenteleden hadden zich verplicht om een nieuwe kerk en toren te financieren en hadden daartoe f 6000,-- bij elkaar gebracht. Niet genoeg, dus vroeg men de graaf om zijn invloed aan te wenden bij de burgerij in Almelo voor geld. Ook vroegen zij aan de graaf om een architect in te schakelen die een bestek en een onkostenbegroting kon opstellen.

Enerzijds praat men over nieuwbouw, anderzijds over aanbouw. De intentie om te komen tot het laatste moet aangenomen worden omdat de graaf (die het laatste woord had) uiteindelijk ook sprak over aanbouw.

Deze brief was ondertekend door schout JH Dikkers, Henderik Arentssen, kerkmeester Jan …, Jan Berkhof sestijne, Hendrik Brotien sestijne, Henderik Coster sestijn, Gerrit Braemer sestijn, Henderik Smelt sestijn, Claas Kruijs sestiene, Frederik Smelt sestien, Berent Henderiks sestiene, Hendrik
ten Caete sestijne, Hendrik Schuurman sesteijne, Gerrit Schipper sestine, Berend Winter sestien, Jan Smelt als sestiene.

De graaf antwoordde op 17 februari 1776 als volgt:

 

“Den bouw en reparatie ten requeste gemeld word geaccodeert zal door mij daarin worden voorsien dat het bestek en begroting der kosten worden gemaakt om dan vervolgens over het nodige fons soverre ontbreken mogt nader te kunnen delebereeren”.
Actum op den huijze Amelo 17 februari 1776
Was getekend JRBR Graaf van Rechteren.
De graaf keurde het verzoek dus goed en liet een kostenbegroting en bestek opmaken. Verder wilde hij praten met het Vriezenveens gemeentebestuur over de inkomstenvoorziening.

 

Hieronder volgt die begroting van kosten die gemaakt zouden zijn als de verbouw toen was doorgegaan:

 

Begrotinge van de kosten weegens de kerk op ’t Vriesenveene volgens de tekeninge daer van gemaekt bedragt als volgt:
Voor metselstenen swolse van buijten in ’t gesigt en Rijssener steen tot het vondement en binnen met de nodige kalk en sement en ’t vermetselen, bedragt te saamen  5410 Guld.
Bentemer steenen plinten rondom de kerk van 6 hoog met de hardsteenen cosijns so tot ligten, als doorrams met ’t wapen, so voor steen als ’t behouwen maekt  800
voor de geglesuerde pannen,  442
de glaesen met bruggen en rooden, 325
ankers, koppelijzers en spijkers,  200
voor ’t lood in de killen en tot gieten, 250
platen onder de krombels alsook muurplaten, 286
crombels met de balken, 648
gebinten over de cromme stijlen, 384
hout en kilkepers gordingen en nock, 183
ribben tussen de gebinten en overdragen latten, 382
de krommers van ’t gewulfte en de planken tot gewulfte en dooren lijsten met het arbijtsloon van ’t timmeren, 1800
de vloere en gestoelten, 1000
somma f 12.110

Den Tooren.
Het repareren en de selve volgens tekeninge om hoger te maeken en aldaer
ter hoogte van ca 20 voet te metselen soude te saam bedragen f 2000.

 

We zien hier dus een plan (helaas zijn de tekeningen niet meer aanwezig) waarbij de toren zou worden verhoogd op een gemetselde sokkel van 20 voet hoog.

 

Als vervolg op bovenstaand, schreef de graaf begin 1778 een brief met de wensen in hoeverre hij de kerkbouw en torenverbetering zag. Hij had de architect Albert Steenbergen in de arm genomen voor het maken van het bestek en de tekeningen en gaf aanwijzingen hoe de financiële  kant geregeld moest worden.

 

“Alzo Jonkheer Jan Reinhard Burchard Rudolf Graaf van Rechteren Heere van Nordeuringen, representeerende de Hoogheid der Huizes en Heerlijkheids Almelo en Vriesenveen bevonden hebbe, dat de kerk op het Vriesenveen geheel worden vernieuwd, alsook dat de Toorn aldaer, die tot nog toe door planken tot aan het spits is gedekt, met muurwerk worden opgemetzeld, zo is het dat ik Graaf van Rechteren in qualiteit voornoemd en mitsdien excerceerende het recht van patronaatschap over de voorzeide kerk, door dezen autoriseere en requirere den architect Albert Steenbergen, om een bequaem bestek eener
nieuwe kerk aldaar, als ook van het gemelde muurwerk van den Toorn te formeren, waarin zal moeten worden geobserveerd, dat de te stigten nieuwe kerk na omstandigheden van het terrain, hetzij in de lengte of breete een zeeker gedeelte groter worden gemaekt dan de tegenwoordige oude kerk, en
voorts dat deselve van binnen zodanig worden ingerigt dat daer in eene convenable plaats zij gedestineerd tot een gestoelte voor den tijdelijken Heere van Almelo en Vriesenveen, als ook dat in de voorseide kerk worden gemaakt een zeeker getal gestoeltens, om ten profijte van dezelve verhuurd
te worden en dat ten aanzien van het uijterlijke de inrigting aldus worde gemaakt dat boven de grote deur in een Bentheimer steen van behoorlijke grootte uijtgehouwen worden geplaatst de wapens van Rechteren en Almelo, en eindelijk dat de voorzeide architect in alles, zo veel gevoeglijk kan
geschieden de menage van kosten, die hij met een zal begrootten, zal moeten in agt nemen, van welke verrigting de voorzeide architect met overgave van het plan en calculatie der kosten aan mij ten spoedigsten rapport zal hebben te doen.
Zullende de penningen hiertoe noodig, door omzetting over die van het kerspel van Vriesenveen gefourneerd moeten worden, zoverre dezelve niet reeds door vrijwillige giften gevonden zijn of nog, en wel met betrekking tot collecten te Vriesenveen en Almelo met mijne nadere voorkennis en permissie, verder gevonden mogten worden. Willende ik mij wel expres hierbij houden gereserveerd, om bij nadere overweging, deze mijne ordre, na bevinding van zaken te veranderen, vermeerderen en verminderen. En zal hiervan een extract in handen worden gesteld van den gemelden architect, en
een gelijkluidend origineel als deze aan die van het kerspel van gemeld Vriesenveen worden overgegeven om zich daernae te reguleren. In kennisse der waerheid hebbe ik deze getekend en gezegeld.
Actum Almelo den 20 januari 1778”.

De brieven zijn opgesteld door graaf Johan Reinhard Burchard Rudolf van Rechteren, heer tot Noorddeurningen, geboren in 1725 en overleden in Almelo in 1783. In 1758 trouwde hij met gravin Sofia Carolina Florentina van Rechteren (zie: Vriezenveen in de Franse tijd), het was haar tweede huwelijk. Deze gravin en het Vriezenveense schoutambt bestuur hebben de Franse tijd moeten doorstaan, een tijd waarin zij onderling enige strubbelingen hebben doorgemaakt.

We zien in deze brief dat de graaf redelijk precies zijn eisen weergaf hoe e.e.a. moest gebeuren. De kerk moest groter worden in de lengte of breedte al naar gelang de hoedanigheid van omliggende grond. In de kerk moest een geschikte stoel bestemd worden voor de graaf. Verder moesten een aantal nieuwe stoelen verhuurd worden. Waar die huur naar toe ging is niet duidelijk. In dezelfde zin waar de graaf een stoel claimt, en hij het dus over hemzelf heeft, zegt hij dat de huur ten profijte van dezelve verhuurd worden. Dat kan slaan op hemzelf danwel op de “voorseide kerk” (eerdergenoemde kerk). Verder moest boven de toegangsdeur tot de kerk een grote Bentheimer steen worden geplaatst waarin de wapens van van Rechteren en Almelo moesten worden uitgehouwen.

Het aparte van deze brief is dat de graaf Vriezenveen hier als kerspel aanduid, dat zien we niet vaak. Vriezenveen was een schoutambt. Met de aanduiding kerspel zal hij misschien bedoeld hebben dat de leden van de kerk geld moesten opbrengen ter financiering van de verbouw, uiteindelijk werd met kerspel een parochie of kerkelijke gemeente aangeduid. Daarmee was in het verleden een bepaalde kerkelijke grens afgebakend. Bij de vervaging van deze grenzen werden de benamingen schoutambt en kerspel wel door elkaar gebruikt. In ieder geval moesten de Vriezenveners uit eigen zak de kosten van verbouw betalen en hadden toestemming om te collecteren in Vriezenveen en Almelo.

Het is er niet tot een verbouw gekomen, de pecunia waren niet voldoende. Hieronder staat in het kader de collectelijst vermeld. Niet zozeer om te kijken wie nou wat gaf, maar om te zien wie er in Vriezenveen woonden en hoe de namen waren gespeld, uiteindelijk stamt de lijst uit de periode 1770-1780, toch zo’n 230 jaar terug. Alle intekenaars hebben een verklaring moeten afleggen of zij het geld inderdaad zouden voldoen. Aan het einde van de collectelijst staan 3 voorbeelden daarvan. Al die verklaringen zijn opgenomen door de secretaris A Bartelink van Almelo.

 

Register van het Geene door d’ ingesetene van het Vriesenveen belooft is te geven tot den opbouw van eene nieuwen karke te Vriesenveen.
Gerhardus Brouwer, predicant en desselfs vrouwe Aleijda van der Horst twee hondert gulden  f 200

De scholtus Dikkers en desselfs vrouw Geertjen Brouwer veertig gouden ducaten f 210, en hunne dogteren met namen Vera en Gerhardina Kruijs ieder vijf en twintig gulden te zamen f 50 De kerkmeester Hindrik Arents f 150, de kerkmeester Derk Janzen f 50, knegt en meijd van voorseide Derk Jansen f 2, de kooijker Berent Berkhof f 5,50, Hendriekus Bosschen en zijn vrouw f 50, en desselfs zoon Hinr. Bosschen f 7, Gerrit de Groote f 20, De meid Jenneken Schipper f 3, weduwe Jan Barkhoff f 5,50, Gerrit Janzens Winde f 3, Jannes Weiteman en vrouwe f 15,15, Gerrit Mennen f 5,5, Jannes Derk Feijer f 15,15, Jasper Onweer f 20, Jan Berents en vrouw f 50, Lucas Onweer f 10,10, Egbert Essen f 5,5, Berent Jansen en vrouw f 25, Jan Bramer en vrouw f 25, Gerrit Hindrikx en vrouw f 50, Jannes Frerikx Tutterjen f 75, weduwe Frerik Lubberts een besten eykenboom, Fennejen Jakobz f 3, Jan Jabos den baas f 5,5, desselfs zoon f 5,5, Henricus Harms en vrouw f 20, Jan Berents Hoft en vrouw f 15,15, zijn zoon Berent Hoft en vrouw f 15,15, Jannes Bramer en vrouw f 25, weduwe Frerik Lubberts f 25, Berent der Wippen f 10,10, Lucas Jonker f 5,5, karkmeester Jan Barkhoff f 31,10, Jan Frerikx alias mis f 5,5, Hinr. Smelt f 1, Lambert Niboer f 5,5, Loo Hindrik en zijn vrouw f 10,10, Berent Hollander f 25, Jan Barkhoff f 5,5, Harmen Schippers en zijn ouders f 21, Grietje Willems Post f 5,5, Brinkman f 5,5, Gerrit Smelt f 5,5, Jannes Hoek f 5,5, Berent Coorts f 5,5, Jan Harmsen f 10,10, Hindrik Fickert f 7, Jan Janzen buizen f 3, Gerrit Hospes f 10,10, Hinrik Bramer f 50, de meijt van Bramer f 5,5, Berent Bramer f 25, Berent van Olde een Eijkenboom, Jan Feijen f 10,10, Jan Vossebeen f 5,5, Albert Wolters f 10,10, Hindrik Brotjen f 20, eduwe Jan Engberts f 45, Gerrit Bramer f 50, Jannes Onweer f 4, Jan Jonkman f 10,10, wed. Hinr. Hollander f 25, Albert Zandboer f 15,15, Jan Onweer f 5,50, Bartelink en vrouw f 52,10, Hermannus Bramer f 50, Bernardus Stok f 6, wed. Berent Alberts f 5,5, wed. Jan Kruijs f 50, Jan Hinr. Prinsen en vrouw f 48, Henricus Clumper f 100, Egbert Lamberts f 5,5, Hindrik Barkhoff f 25, Frerik Claasen f 25, Jan Claasen f 15,15, wed. Frerik Bramer f 30, Hinrik Egberts f 25, Harmen en Jan Winter f 150, wed. Harmannus Smelt f 10, Gerrit Brouwer f 50, Hindrik Smelt f 15,15, Jasper ten Caate f 50, Wolter Bramer f 15, Jan Smit f 10,10, Albert Weiteman f 10,10, Claas Kruijs f 50, Gerrit Frerikx f 2, Claas Jannes en Mannes Egberts f 8, Hindrik Spijker f 63, Frerik Roelofs f 2, Hindrikjen Jonker meid van H Spijker f 3, Gerrit Coorts f 5,5, Frerik Smelt f 10, Jan Hofman f 5,5, wed. Jan Frerikx f 5,5, Gerrit Berents f 8, Cunnera Jansen f 15,15, Hinr. Van Olde f 4, Jannes Vetteker f 15,15, Bernardus Spijker en vrouw f 200, Hindrik Bramer f 5,5, Grietjen Otten f 5,5, wed. Harm. Scholten f 2, Janna Holst f 3, Hinr. Bakker f 3,30, wed. Hopman een Eijkenboom, Hindrik Bramer f 1, Egbert Jonkman f 50, meester Diederick f 10, Coort Heideman f 5,5, Albert Costers f 30, Hindrik Vellener f 2, Harmen Teunis f 5,5, Albert Frielink f 5,5, Hendriekus Prinsen f 1, weduwe Jan Muller f 21, Berent Smit f 25, weduwe Gerrit Berents f 1, wed. Harwig f 40, wed. Jan Scholl f 100, meester Harwigh f 21, Jan Frerikx f 5,5, Berent Olijslager f 100, Gerrit Lohuijs f 3, Jan Bom f 5,5, Jan Hindrikx f 2, Jannes Scholl f 100, Berent Wichgers f 25, Rierink de Bakker f 2,10, wed. Willem Bramer f 10,10, Jan Gerrits f 2, Cinders Looheer f 9, wed. Roelof Gerritzen en haar dogter f 21, Jannes ten Cate f 21, Jan Schipper f 42, Egbert Raphuijs f 50, Abraham Mockelencate f 30, Roelof Winckels f 3,30, Jan Harmsen f 3,30, Jannes Berents f 5,50, Berent Hindrikx f 25, Jan Frerikx f 50, Hindrikus Schomaker f 100, Roelof Wichgers f 10,10, Lindert Berent Schomaker f 2, Hinr. Brouwer f 30, wed. Berent Fronten f 10,10, Benjamin ten Bruggencate f 30, Berent Bras f 2, wed. Hindr. Feijer f 50, wed. Lucas Fronten f 30, Hinr Claasen f 2, Otto Thijhoff f 3, Hendrikus Berents f 1, Jannes Derkx f 2, Berent Joost f 10,10, Hind. Nicamp f 2, Frerik Tijhoff f 10, Hindrik Cleimes f 1, Wander berents f 10,10, Hindrik Claasen f 2, Gerrit Hindrikx f 3, Berent Lucas f 30, Hindrik ten Caate f 100, Wolter van Uittert f 1, Jannes Hollander f 4, Harmen Scholten f 2, Coobes Bockhove f 3, Jan Bruins f 3, Wander Wichgers f 8, Jan D Graeff f 200, Gerrit en Altjen Bramer f 65, Hindrik Arents f 75, wed Coort Harms f 12, Berent Winters en zijn moeder f 75, Gerrit Schipper f 31,10, Lucas Bom f 2, Mannes Gerritsen f 2, Jan Coster f 2, Koppel Gerrit f 5,5, Derk Drost f 1, Jannes Scharphof f 1, Claas Auken f 1, Wolter Frerikx f 10,10, Hindrik Gerritsen f 2, Jan Boom f 10,10, Frerik Gerritzen f 5,5, Jan Schipper f 3, Gerradus Keep f 5,5, Gerrit Keep f 5,5, Jan Leenders f 2, Berent Claasen f 5,5, Harmen Hartog f 5,5, Berent Cremer f 5,5, Jan Smelt f 50, Berent Hinr Pleij f 4, Harm Somer f 4, Claas Berents f 4, Jan Egberts f 5, Mannes Gerritz f 2, Jan Hindrikx Pleij f 2,10, Hinr Hindrikx f 8, Gerrit Coster f 10, wed. Berent Schipper f 21, Jan Roelofs f 5,5,

Ik ondergetekende, relateere, dat van de Hoogheyd des Huijses en Heerlijkheyd Almelo en Vriesenveen, ben geauthoriseerd geworden om de naevolgende ingeseetenen van Vriesenveen uit order van Hooge gemelde Hoogheijd te vraagen of sij lieden ook voornemens waaren hunne beloften aan de kerke te Vriesenveen gedaan indien het vereijst wierde tot opbouw derselfen te voldoen offte niet. Dies van de navolgende dit antwoord bekoomen van:
Berend Kooijkers segt sijne belofte aan de kerke gedaan te sullen voldoen.
Jannes Weyteman of desselfs huijsvrouw segt indien de kerke geboud worde nae haar vermoogen daartoe te sullen geven.
Benjamin ten Bruggencate van huijs sijnde, en sijn vrouw segt oover de belofte aan de kerke niet te kunnen uitlaaten
Jan Hinderiks overleeden, en desselfs weduwe verarmt des niet in staad om hunnen belofte door wijlen haar man aan de kerke voldaan te kunnen voldoen.

Op die wijze hebben alle contribuanten een verklaring afgelegd waarbij al dan niet de belofte gestand werd gedaan, mocht het komen tot verbouw..



Bij de festiviteiten rond het planten van de vrijheidsboom voor de kerk in Vriezenveen, kwamen inkwartieringen hier aan de orde; ongeveer 100 man Franse troepen uit Almelo kwamen om het feest bij te wonen. Daarvan kwamen er 6 bij de familie Kruijs te eten. “Wij konden der wel mee doen”, zei de oranjegezinde Grietje Kruijs-Otten. Bij die festiviteiten zijn de klokken nogal uitbundig geluid en is er eentje gebarsten.

In het voorjaar van 1796 werd de gebarsten klok gerepareerd. De klokkengieterij werd ter plekke klaargemaakt. Diverse paarden en wagens moesten een week dienst doen om stenen van Rijssen op te halen. Leem en plaggen voor de opbouw van de oven kwamen van het oude kerkhof. De oven werd met beukenhout gestookt. Het heeft enige weken geduurd voor men klaar was. Vanuit Tubbergen kwam een gieter voor de binnenvorm. Hij had zijn vrouw ook meegenomen naar Vriezenveen. Zij hadden in vrouw Mullers huis gelogeerd. Volgens Grietje Kruijs ging zij op haar juffrouws gekleed met lange haren. In juni 1796 schoot het eindelijk op met de gieterij. De binnenvorm was klaar en een maand daarna was het werk af.

 

Dan komen we aan het begin van de 19e eeuw. Daarin is wat meer te vertellen over onze toren.

In 1800 was het kerkgebouw in zo’n slechte staat dat het zondags een gevaar voor de gemeente vormde om diensten bij te wonen. Zo nu en dan vielen planken en ribben uit de zoldering en muren begonnen te scheuren. Er moest een nieuwe kerk komen want doorgaan in de bestaande situatie leverde alleen maar nog meer gevaar op voor de kerkgangers.

 


 

De gemeenteleden hadden, ondanks de slechte financiële omstandigheid, toch flink wat geld bij elkaar gebracht. Alle fondsen van de kerk die bestonden uit middelen verkregen uit testamenten of andere beschikkingen van uiterste wil waren aangesproken. Ook waren diverse collecten in het hele Rijk gehouden waartoe in 1800 een speciale commissie was ingesteld om dat te regelen. Daarvoor was geen toestemming meer nodig van de graaf maar van de provisionele representanten van het volk op provinciaal en landelijk niveau. In 1801 kon zo een nieuwe kerk worden gebouwd.

De fondsen waren in 1801 dan ook eeuw volledig uitgeput, de kerk had geen inkomsten meer. Toch moest er op de een of andere manier geld gegenereerd moest worden om kleine reparaties en onderhoud te betalen. Daarvoor werd de bankenverhuur ingevoerd, waaruit die kosten bestreden konden worden. Bankenverhuur  was het eigenlijk ook weer niet, de banken werden om de drie jaar verpacht.

In 1801 werd dan ook niet over de oude houten losse toren die aan de westkant van de kerk stond, gesproken, ook niet over de pastorie alhoewel beide gebouwen hoog nodig aan renovatie toe waren.

Dat kwam pas in 1819, toen de toren op instorten stond. Schout Jan Kruijs correspondeerde daarover met Zijn Excellentie de Heer Gouverneur van de Provincie Overijssel; tegenwoordig zouden we Commissaris der Koningin zeggen. Kruijs wilde graag geld van de provincie.

In de toren hingen drie klokken. Dat was een vereiste volgens Jan Kruijs omdat je daarmee de hele wijd uiteenlopende gemeente kon bereiken voor de aankondiging van het houden van kerkdiensten. Zoals gezegd kon de toren in 1801 niet herbouwd worden omdat het geld op was. De toestand van de toren was slecht tot super slecht. Schout Jan Kruijs zei dat bij sterke wind en het gelui van de klokken de spits als een strohalm heen en weer bewoog en daarbij de gebinten en andere delen deed schudden. Het was een kwestie van tijd voordat de toren in elkaar zou storten. Om die reden was de grootste klok sinds jaren al niet meer geluid (Deze Mariaklok werd waarschijnlijk gegoten door ene klokkengieter Segewalt Hartijseven. De tweede is gegoten geweest door klokkengieter Rurgerus Voigt).

De daaraan volgende klok in grootte was in 1816 gescheurd en ook niet meer in functie zodat in 1819 alleen nog de kleinste klok dienst deed, maar die voldeed totaal niet aan de eisen van bereikbaarheid.

 


 

Jan Kruijs legde de situatie van de toren zoals die toen was uit aan de Gouverneur. De toren was met de kerk in 1666 van een andere plaats, de Büterweg, naar de huidige standplaats  overgebracht. Op die vorige plek, ongeveer een kwartier gaans van de huidige plek in zuidelijke richting, stond de toren waarschijnlijk al twee eeuwen zodat hij al drie en een halve eeuw aan weer en wind was blootgesteld. Het hout was, vooral bij de fundamenten, vermolmd of verrot en wel zodanig dat kleine reparaties geen zin meer hadden. De kosten van volledig afdoende reparatie werd door een deskundige ingeschat op f 2.800,--. Een nieuwe toren opgetrokken uit steen en kalk zou f 5.500,-- kosten, maar de Hervormde gemeente was niet meer in staat om dergelijke bedragen op te brengen. Na de Franse periode heerste er nog steeds lange tijd armoede in Vriezenveen, zodanig zelfs dat het gemeentebestuur de hoofdelijke omslag niet meer wenste of kon verhogen in verband met de onvermogendheid van de Vriezenveners. De hoofdelijke omslag werd geheven bij bestrijding van algemene of specifieke kosten. Maar de toren moest wel gerepareerd.

Het was januari 1827, toen de gemeenteraad de volgende bespreking had over toren en klokken:

 

“De gemeenteraad van Vriesenveen behoorlijk geconvoceerd onder voorzitting van de burgemeester vergaderd zijnde, teneinde over de belangen der gemeente te raadplegen, en speciaal over de geschikste middelen tot herstelling der zedert jaaren herwaarts zeer bouwvalligen houten tooren, welke bij de jongste stormen bovendien noch aanmerkelijk is benadeeld.

En in aanmerking genomen dat de tooren, volstrekt zodanige dringende en grote reparatien vereischt, zowel aan deszelfs wezendlijke bestaansdelen, van karbeels, ribben, schooren, trappen en ankers, als de gehele vernieuwing van het uitwendig bekleedsel en reparatien aan dak, weerhaan en ijzeren kruijs, dat uit de gewoone middelen der gemeente geen herstelling is te denken. Overwegende voorts dat het welbegrepen belang eener gemeente zonder, of bijna zonder vaste inkomsten en waar alle behoeften door omslagen en opcenten moeten worden bestreden, verbied om gelden te negotieeren zowel als om de reeds zwaar drukkende omslagen te verhogen.

Overwegende echter dat in de bouwvallige tooren behalve twee zeer goede en voor de behoefte der gemeente alle sints voldoende klokken nog een aanzienlijke grote gebarsten en onbruikbare klok wordt gevonden, welke ingeval van verkoop waarschijnlijk tusschen de vier en zeshonderd gulden zal kunnen opbrengen, doch wier wezendlijke waarde men alvorens dezelve zal zijn gewogen, niet kan bepalen. Heeft besloten om van Zijne Excellentie de Heer Gouverneur de nodige authorisatie te verzoeken om de in den tooren dezer gemeente voorhanden zijnde gebarsten en onbruikbare klok te verkopen, vervolgens in overeenstemming met de daarvoor ontvangen som een plan en bestek tot reparatie van den tooren te doen opmaken en na goedkeuring van zodanigen plan en bestek de reparatien aan te besteden, alles op zodanigen wijze en met inachtneming der formaliteiten als bij de bestaande reglementen zijn voorgeschreven”.

 

In de vergadering van de gemeenteraad van 23 juni 1827 kwam de reparatie van de bouwvallige toren weer aan de orde. Deze zou hoogstnoodzakelijk toen f 507,40 bedragen, niet inbegrepen het dak en het afnemen en opnieuw opbrengen van het ijzeren kruis en de weerhaan. Het gemeentebestuur overwoog dat er in de bouwvallige toren 2 goede klokken hingen die alleszins afdoende waren voor de gemeente. De ene gebarsten klok vond men zeer geschikt voor de verkoop; in mei 1827 is de klok verkocht voor f 564,45. Een half jaar daarvoor had men de klepel uit die klok weggenomen omdat men bang was dat er een stuk zou uitvallen en iemand ongelukkig zou maken. De advertentie van de gemeente in de Overijsselsche krant luidde als volgt:

 

“Men presenteert te verkoopen een aanzienlijk groot gebarsten torenklok. Die hierin gading heeft, adresseere zich met vragtvrije brieven, houdende opgave van de prijs, welke men per Nederlandsch pond wil betalen, bij de ondergetkende.

Burgemeester der gemeente Vriezenveen, J Kruijs”.

 

In ieder geval werden de kosten van reparatie van de toren er mee bestreden.

 

Op 14 februari 1822 werd het nodige reparatiewerk aan het uurwerk in de toren aanbesteed en gegund aan horlogerie Rierink in Borne voor f 25,--. Daarbij moest hij twee jaar garant staan voor de reparatie.

In 1827 was het de beurt weer om het kruis en de weerhaan van de toren te inspecteren. Jan Kruijs verwachtte daarvoor een leiendekker uit Schuttrop voor advies, omdat “niemand hier zulks aandurft”.

Aldus Kruijs. Twee weken later werd de weerhaan met kruis van de toren gehaald door Jan Frederik ten Hofstee uit Goor. Aan het kruis mankeerde niets, de weerhaan werd verguld. Alles bij elkaar kostte de gemeente dat f 28,--. Op 30 oktober 1827 werd de spil op de toren teruggezet en vervolgens de haan daarop. Lang heeft de haan daar bovenop geen victorie gekraaid want ’s nachts 3 november kwam hij naar beneden zetten. De spil waarop hij draaide was met het terecht zetten geknakt en vervolgens weer omgebogen. De gemeente had dus geen nut van dit werk en Kruijs vermoedde dat er van ten Hofstee niets te halen viel. Ook moest het torenuurwerk weer worden gerepareerd, ditmaal door horlogiemaker Bos voor f 25,--.

Op 1 juli 1828 ’s morgens vroeg heeft de leiendekker het kruis van de toren gehaald. Kruijs had het al om 06.00 uur aan zijn huis. Het werd naar smid Peereboom gebracht om daar te worden  gerepareerd; diezelfde avond of de morgen daarop zou het kruis weer op de toren worden geplaatst. Ook was men bezig om de toren te verven, iets wat normaal om de zoveel jaar moest gebeuren. In 1851 lezen we iets meer over de samenstelling van de verf die op de toren werd gesmeerd.

Het verfwerk aan het vierkante werk van de toren aan drie zijden of slechts aan de zuidzijde werd in dat jaar aanbesteed. Het werk moest binnen vier weken in behoorlijke staat worden opgeleverd.

Donkerblauwe grondverf moest worden gebruikt, bereid van zuiver loodwit, zwartsel en best gekookte lijnolie. Het werk werd gegund aan Johannes Jansen, schilder in Vriezenveen.

 

In 1857/1858 werd er weer aan de toren en het uurwerk gesleuteld. Het bleef allemaal krakkemikkig.

De toren moest worden “opgevijzeld en te loodde gezet”. De zuidzijde moest worden opgevijzeld en zodanig worden onderstut dat hij zuiver recht stond. De oude platen op het muurwerk werden weggenomen, daarna moest van de stijlen 28 duimen worden afgezaagd alvorens het buitenbekleedsel op het midden van de tweede rij af te zagen. Daarna werden de losse stenen van het metselwerk afgenomen en schoongebikt en tot dracht onder de stijlen aangebracht. Er werden vier Bentheimerstenen voetstukken op het metselwerk aangebracht onder de stijlen. Die Bentheimer stenen waren 72 duim lang en 38 duim dik, Nederlandse maat.

Daarop werd muurwerk opgemetseld met gave Rijssense stenen van hetzelfde formaat als de nog bestaande stenen, tot aan de bovenkant van de Bentheimer voetstukken. Daarna werd de noordzijde opgevijzeld en vervolgens de oost en westzijde van de toren, waarbij dezelfde handelingen werden verricht als boven vermeld. Daarna werd het te vervangen houten geraamte opgebouwd met recht gezaagd meskant eikenhout en moest het bekleedsel van de toren tot een lengte van 90 duim tot op het midden van de bestaande rij geheel worden vernieuwd. Het spaandak van de hele toren moest hersteld worden waarvoor 3000 nieuwe eiken gekloofde spanen moesten komen.

De klokkenstoel welke door het inwateren door de galmgaten gebreken vertoonde, moest worden vernieuwd en verder waren er nog een aantal werkzaamheden en natuurlijk afrondend het verfwerk. Een hele klus, een beste reparatie. Op 1 februari 1858 werd de openbare aanbesteding gehouden, waarbij het werk aan de laagste inschrijver werd gegund. Dat was metselaar Hendrik Meijer uit Wierden. Hij zou het werk uitvoeren voor de som van f 1.290,--. Op één van de stenen werd het jaartal 1858 aangebracht.

 

In 1869 vond weer een onderzoek plaats naar de toestand van de toren, ditmaal door GD Niermans uit Enschede. Hij kwam tot de conclusie dat alle steekbanden en dwarsribben die los in hun pennen en gaten zaten moesten worden nagezien aan de hele toren, klokkenstoel en torenspits. De afgebroken pennen moesten worden vernieuwd en in de torenstijlen worden bevestigd. Het spijkerwerk van de planken om de toren moest worden nagezien omdat er nogal wat los zat en aan de zuidkant moesten onder de planken nieuwe eikenhouten of grenen leggers worden bevestigd. In de toren aan de kerkzijde most op de verdieping van de klokkenstoel aan de stijlen een nieuw eikenhouten kruis worden bevestigd. De lange schoren van de voet van de toren tot boven de klokkenstoel moesten worden nagezien en er moesten voldoende eikenhouten kardoezen aangebracht worden tot meerdere steun van de dwarsbalken. Het overige timmerwerk moest ook nagekeken worden of er nog e.e.a. los zat. Het spaandak van de torenspits moest hersteld worden en lekvrij opgeleverd, het kruis met de weerhaan moest worden rechtgezet. De gehele toren met spits moest tweemaal gegrond en opgeverfd worden. Kosten timmerwerk met ijzerwerk en arbeidsloon

f 180,--. Kosten verfwerk toren met spits f 200,--.

 

In 1881 was het uurwerk aan de beurt. Verschillende inwoners richtten een verzoek aan de raad om daar wat aan te doen. Dat waren niet de minsten hier in Vriezenveen! W Companjen, Bruist, G de Lange, DG Harmsen, HA Engels bemanden onder anderen de club verzoekers.

Zij gaven met gepaste eerbied aan de raad te kennen dat het uurwerk van de toren op instorten stond. Het was algemeen bekend dat het een gebrekkig uurwerk was. Regelmatig kwam er binnen een week een tijdsverschil van 10 minuten voor of meer. Dit kon voor veel ingezetenen en vooral reizende personen van groot nadeel zijn, aldus de verzoekers. Men kon een geplande trein missen!! (niet in Vriezenveen, waar het spoor in 1906 kwam, maar in Almelo, waar het spoor al was aangelegd).

Er moest een uurwerk zijn waarop men vertrouwen en rekenen kon, vooral op dagen waarop verkiezing werd gehouden, want dan werden wettelijke tijden gehanteerd (openen en sluiten stembureaus etc). Er moest maar een regulateur uurwerk ter secretarie van het gemeentehuis komen. En de gemeenteraad moest er voor zorgen dat het torenuurwerk steeds met de stationstijd in Almelo in overeenstemming was!

 

De toren bleef een aanhoudende zorg, maar een definitieve oplossing zou niet lang meer op zich laten wachten. In 1905 was blijkbaar de toren weer aan een opknapbeurt toe, want het raadslid De Lange vroeg wanneer de toren werd hersteld. Het dak moest hersteld maar van de leiendekker die uit Schuttorf zou komen, had men nog niets vernomen. Om toch voortgang in de zaak te krijgen werd architect JJ Hellendoorn om advies gevraagd over het dekken van de toren met asbestleien en over ene Rasz, een leidekker uit Enschede die op dat moment in Vriezenveen werkzaam was. Het zal een positief gesprek over beide onderwerpen zijn geweest want in oktober/november van dat jaar heeft leidekker H Rasz voor f 150,-- de toren bedekt met asbestleien. In dat jaar 1905 kreeg JA Meulenbeld eervol ontslag als klokkenluider. Klokkenist was RJ de Blaauw, maar hij was echter niet meer in staat om het torenuurwerk in orde te houden. Als opvolger van beide personen werd daarom in de raadsvergadering van 4 december 1905 H Meulenbeld benoemd als klokkenluider en als klokkenist op een jaarwedde van f 25,--.

 


 

In 1922 kwam de NH kerkeraad bij de gemeente met tekeningen voor de verbouw en uitbreiding van de kerk, e.e.a. onder leiding van arcitect Doornberg. Op de tekening stond een nieuwe toren van ca 35 meter hoog. De kerkeraad vroeg of de gemeente de toren voor haar rekening wilde nemen waarop positief werd beslist. Kosten f 10.000,--.

Een opmerking destijds toen het verzoek in de gemeenteraadsvergadering werd behandeld van een raadslid:

“Ik begrijp niet waarom de Hervormde Gemeente niet direct een grote kerk bouwt in plaats van elk jaar aan het bestaande gebouw te prutsen. De Rooms Katholieken bouwen prachtige kerken”.

Een ander raadslid, zonder twijfel goed hervormd, antwoordde daarop:

“De Rooms Katholieken weten wel prachtige kerken te bouwen maar de armlastigen in de gemeente weten ze niet te onderhouden”.

 

Als voorwaarde stelde de gemeenteraad dat de toren een hoogte van 37 meter moest hebben omdat dat een betere indruk zou maken mede tot verfraaiing van het kerkgebouw.

De toren bleef dan wel eigendom van de gemeente, gedeeltelijk tenminste.

De overeenkomst die de gemeente met de Nederduitsch Hervormde gemeente sloot, hield in dat de kerk eigenaar was en verantwoordelijk was voor het gedeelte tot de nok van de kerk, terwijl de gemeente Vriezenveen eigenaar was en verantwoordelijk was voor datgene wat daarboven kwam met de daarin aanwezige klokken. Door de kerk aangewezen personen hadden steeds het recht om de klokken te luiden zo dikwijls dat nodig was.

 

 

De oude houten toren naast de kerk moest dus verdwijnen omdat daar ook uitbreiding moest plaatsvinden. In september/oktober 1923 werd de oude toren die zo lang dienst gedaan had gesloopt.

Op de sloop werd ingeschreven door HM Bramer uit Vriezenveen voor f 156,-- en C Nieuwenhuyse uit Rotterdam voor f 317,--. Aan de laatste werd het werk gegund.

 

Op de plaats van de oude toren werd een gebouwtje neergezet voor de verwarming van de kerk.

 

In de nieuwe toren kwam ook een nieuw torenuurwerk en luidinrichting.

Daarvoor werden offertes uitgebracht, de firma F van de Kerkhof & Zonen uit Aarle-Rixtel kon alles maken en aanbrengen voor f 4205,--; gezien de prijsconstructie vielen zij echter buiten de boot. De firma Brummer uit Almelo kon voor f 1465,-- de klokken uit de oude toren halen en in goede toestand brengen op de 26 meter hoge vloer van de nieuwe toren. Verder kon Brummer voor die som het houten hangwerk vervangen door een te leveren en plaatsen ijzeren constructie.

B Eshuis en Oordt schreven daarvoor in voor de som van f 3975,-- inclusief de sloop van de oude toren, die echter aan Nieuwenhuyse was gegund.

 


 

Uiteindelijk werd het werk met  betrekking tot de versterking van de toren, levering van de ijzeren constructie voor ophanging en het overbrengen van de klokken uitgevoerd in samenwerking door Brummer met Eshuis en Oordt.

Het torenuurwerk met vier wijzerplaten werd geleverd door de ENEM in, de NV Eerste Nederlandsche Magnetische Uurwerkenfabriek in Utrecht. Voor hen die wat meer verstand hebben van uurwerken dan de doorsnee lezer, bestond de omschrijving van het torenuurwerk uit het volgende:

1 torenuurwerk met slagwerk, de hele uren voluit en de halve uren met 1 slag slaand, met ankergang, secundenslinger en constante kracht, waardoor de loop der klok niet door storm, sneeuw ect gehinderd wordt. De raderen zijn alle van brons, met uitzondering der opwindraderen, welke van ijzer zijn. Het uurwerk is ingericht voor 8 daagse handopwinding en geschikt tot het drijven van wijzerwerken voor wijzerplaten tot 2 meter diameter. Het gehele uurwerk bedrijfsvaardig opgeleverd exclusief wijzerplaten, wijzerwerken en de eventuele hulp van timmerman of metselaar: f 640,--.

 


Met een inrichting van elektrische opwinding waren de kosten f 840,--.

Verder werden vier wijzerplaten geleverd van zwart geschilderd roodkoper dik 2 mm, met goud vergulde Arabische letters. Lengte en breedte van de platen 1 meter 60 cm. Daarbij werden geleverd vier stel ijzeren wijzers met echt bladgoud verguld en vier wijzerwerken met inbegrip van koppelingen en overbrengwerk voor in totaal f 780,--. De wijzerplaten werden afgezonden naar Vriezenveen door de firma Buiter in Winschoten.

 

In december 1923 werd het uurwerk in bedrijf gesteld met de ½ pk motor. In het nieuwe jaar stond het uurwerk regelmatig stil, wat het gemeentebestuur aanleiding gaf om de ENEM te verplichten er een 1 pk motor in te zetten, maar de ENEM vond een ½ pk genoeg om de gewichten te heffen. Eind 1924 was het geduld van het gemeentebestuur op en verzocht de ENEM nu voldoende maatregelen te nemen om haperingen te voorkomen. Daar al twee 3-phasen motoren van de klok waren doorgebrand werd nu een 1 phasen-motor 220 Volt geplaatst. De laatste klachten kwamen door halverwege 1925 vanwege het afbreken van bepaalde pennen in het uurwerk. Deze waren van te zacht materiaal gemaakt en werden vervangen door hardstalen pennen.

Op 28 september 1925 vertrouwde het gemeentebestuur aan de ENEM het volgende bericht toe:

“Waar wij zo dikwijls over het door u geleverde torenuurwerk hebben geklaagd, is het ons een genoegen thans te kunnen meedelen, dat het uurwerk na de laatste herstelling in orde is en behalve een kleinigheid, die door onzen monteur kon worden gerepareerd, thans goed voldoet. Ook loopt de klok thans zeer zuiver op tijd”.

 

Toch heeft op de een of andere manier bovenstaand uurwerk niet helemaal aan de verwachtingen voldaan. Begin 1930 waren er al weer flink wat reparaties nodig. De ENEM kon niet meer benaderd worden want die was failliet, dus werd gezocht naar een andere reparateur. Dat werd de Nederlandse fabriek van o.a. torenuurwerken B. Eijsbouts. De uurwerkfabriek zat in Asten.

Volgens Eijsbouts was de enige en afdoende oplossing om een geheel nieuw automatisch/elektrisch uurwerk te plaatsen wat in de Vriezenveense toren met zijn zware klokken thuishoorde.

“Het bestaande uurwerk is veel te licht en te primitief gemaakt, als men de zware kettingen en kettingwielen vergelijkt met de dunne opwindas en die kleine wormwieltjes ziet, bemerkt men al dadelijk dat deze veel te klein zijn om de zware gewichten zonder sterke slijtage op te winden”

Eijsbouts vond het geheel zo primitief geconstrueerd dat bij stoornis in de stroomtoevoer of weigering van het slagwerk het hele werk ging stilstaan terwijl de gecompliceerde contact inrichting altijd aanleiding gaf tot stoornis.

Eijsbouts wilde een groot en zwaar gebouwd werk met onderraderen leveren; het gangwerk voorzien met constante kracht en het GRAHAM ANCRE-gang voorzien van een zeer zware compensatie seconden slinger. Voor de opwinding was een elektromotor van ½ pk nodig. Het uurwerk werd om de 6 uur opgewonden en bij storing in de stroomtoevoer bleef het uurwerk nog 10 uur doorlopen. Eijsbouts kon het geheel leveren voor f 850,-- waarbij het oude uurwerk eigendom van Eijsbouts werd.

De gemeenteraad ging akkoord met de aanschaf, alhoewel enkele leden nog wel een andere firma wensten te laten inschrijven. Dat was een oude bekende, nl. de fa Van de Kerkhof uit Aarle-Rixtel die in eerste instantie in 1923 buiten de boot viel en nu ook niet meer aan bod kwam.

In oktober 1930 werd het uurwerk geplaatst. Bijna 20 jaar later werd een elektrische wijzerplaatverlichting aangebracht door de Nederlandsche Torenuurwerken, Klokken en Luidapparatenfabriek M van de Kerkhof & Zonen in Aarle-Rixtel voor de prijs van f 1100,--.

 

In 1937 werd de bliksembeveiliging, die volgens het kooisysteem aan de toren was gemonteerd, verbeterd.

 

De oorlog bracht ook voor Vriezenveen mee dat de klokken uit de toren werden meegenomen. In februari 1943 werden de twee klokken van resp. 1050 en 542 kilo door de bezettende macht verwijderd.

De grote klok heeft in de gemeentetoren van Harlingen gehangen. De gemeente heeft die in 1946 min of meer eigenmachtig uit Groningen laten halen. Eigenlijk zou de klok op kosten van het Rijk naar Vriezenveen worden vervoerd op een door het Rijk te bepalen tijdstip. Maar in Vriezenveen was men van mening dat de klok voor de kerst moest hangen en met de kerst moest luiden. Gedeputeerde Staten zou de uitgaven daarvoor hoogstwaarschijnlijk niet goedkeuren zodat er een collecte werd gehouden. Van de kleine klok neemt men aan dat die versmolten is omdat er geen enkel spoor van is ontdekt.

 

Er mankeerde dus nog een klok met een gewicht van 542 kilo en een diameter van 97,5 cm.

Aan de klokkengieterij Van Bergen in Heiligerlee werd in 1948 gevraagd wat het gieten van een nieuwe klok ter vervanging van de oude zou kosten of een zwaardere.

Volgens de aanbieding van de Carillons, Torenluidklokken en Torenuurwerkenfabriek in Heiligerlee, paste bij de bestaande klok een klok met een gewicht van 1350 kg, diameter 129 cm, toon dis, of een klok van 1600 kilo diameter 138 cm in toon d.

Ook aan de NV Nederlandse Klokkengieterij Eijsbouts-Lips in Asten werd offerte gevraagd.

De kleine klok van Van bergen kostte f 3192,--, de grote f 8463,50.

De kleine klok van Eijsbouts kostte f 3430,--, de grote f 8850,--.

Letters voor randschrift kwam bij beiden op f 0,50 per letter.

 

 

Met beide verhalen ging het college van burgemeester en wethouders om advies naar de Nederlandse klokken- en orgelraad in Rotterdam. Die adviseerden een klok van 108 cm doorsnee, rond 800 kg en een kleine terts geluid dis-fis. De klokkenraad liet geen misverstand over de offertes bestaan:

“Uit beide aanbiedingen der Heren klokkengieters blijkt wel hoe weinig muzikaal onderlegd zij zijn. Noch de d-klok noch de gis-klok adviseren wij u aan te schaffen. De eerste zou den ondragelijke dissonant met de bestaande dis-klok veroorzaken, de tweede ligt zover van de dis-klok verwijderd dat zij een tamelijk onsamenhangend interval vormt en daardoor een ongunstige verhouding in de luidperioden vormt”.

Om een lang verhaal kort te maken kreeg Van Bergen uit Heiligerlee begin februari 1949 groen licht van de gemeenteraad om de klok leveren met inachtneming van de opmerkingen van de klokkenraad.

Het werd een luidklok toon fis, diameter 109 cm, gewicht 850 kg tegen de prijs van f 4,85 per kilo. Randversiering kostte f 95,--, het polijsten f 168,--, transport, takelwerk en monteren f 250,--.

Het opschrift kostte f 0,50 per letter. Er waren 22 inzendingen voor  het opschrift van de klok, waaruit de volgende werd gekozen:

 

In zing mijn lied van vrijheid en vrêe

Die God U gaf na kwelling en wêe

Hij heeft U verlost uit ’s vijands banden

Daarom roep ik U tot het vouwen der handen

 

Verder werd op de klok vermeld: Anno 1949… en de maand van levering.

 

In de jaren ’60 van de vorige eeuw was het noodzakelijk een aantal restauraties aan de toren te verrichten. Dit betrof met name de leibedekking, voorzieningen aan de torenspits, voeg- en schilderwerk en conserveringswerk. De restauratiewerkzaamheden, leidekkerswerk met bijkomende lood- en zinkwerken werden uitgevoerd door Roelofs bouw- en aannemersbedrijf onder toezicht van architectenbureau T van Hoogevest.

Aan de klokkenindustrie M van de Kerkhof & Zonen in Aarle-Rixtel werd opdracht gegeven om de werkzaamheden aan de luidinstallatie uit te voeren.

 


 

Beide klokken werden elektrisch geluid. Er werden nieuwe luidwielen aangebracht en een nieuwe klepel van smeedbaar staal in de zwaarste klok om de hoorbaarheid van de klok te verbeteren. Voor het automatisch luiden werd een signaalklok aangebracht die alle schakelingen volautomatisch kon verrichten en bovendien een gangreserve en weekendschakelingen had.

De installatie werd aangebracht op 22 augustus 1967, de kleine klok werd voor het eerst geluid op 23 augustus 1967 om 12.00 uur. Beide klokken werd elektrisch geluid op donderdagmiddag 24 augustus 1967 bij een begrafenis. Om het precies op tijd laten lopen van het torenuurwerk in combinatie met de luidtijden, werd eind 1967 een moederklok geplaatst achter de wijzerplaten. In het bestaande uurwerk werd een impulsontvanger geplaatst. Het torenuurwerk zelf kon daardoor worden behouden.

 

Zoals zo vaak zien we dat in bepaalde zaken de geschiedenis zich herhaalt. Zo ook in het geval van het luiden van klokken. In het begin van de 19e eeuw was het niet meer verantwoord om de grote klok te luiden omdat de houten toren onstabiel was. In 1975 stelde het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad voor om een nieuwe klokkenstoel aan te brengen omdat de bestaande in een dusdanige situatie verkeerde, dat het niet meer verantwoord was de grote klok te luiden.

Daarvoor werd een behoorlijke subsidie verkregen in het kader van de aanvullende civieltechnische werken, e.e.a. verband houdende met de bestrijding van de werkloosheid in die tijd.

De klokkenstoel werd gemaakt door een oude bekend, namelijk de Koninklijke Eijsbouts BV in Asten.

De uiteindelijke kosten van de klokkenstoel bedroegen ca f 50.000,--, waarvan 84% voor subsidie in aanmerking kwam. Op het luid- en uurwerk werd bij Eijsbouts een onderhoudsabonnement afgesloten.

In 1992 heeft nog een renovatie plaatsgevonden van de uurwerkinstallatie in de toren, terwijl in 1998 twee dubbeltrekkende elektronisch gestuurde luidapparaten werden aangebracht door Eijsbouts.


 

Dat duiven overlast kunnen geven in allerlei situaties is bekend. Zo ook bij kerkgebouwen. Kerkbezoekers van de kerk op het Midden ondervonden al lang veel hinder van de duiven. De kerkvoogdij liet daarom boven de ingangen een duivenwering aanbrengen, Ook de gemeente liet dit doen aan de voorkant van de toren. Dit alles in 1989. De wering bestaat uit roestvrije stalen naadstrips.

 

 

Comments