Hoofdmenu‎ > ‎Nieuws‎ > ‎Nieuws 2005‎ > ‎

Rotterdamse ‘bleekneusjes’ bezoeken Vriezenveen

Geplaatst 24 aug. 2010 11:49 door Vereniging Oud vriezenveen   [ 24 aug. 2010 11:50 bijgewerkt ]
De Twenterand Courant - Twee Rotterdamse bleekneusjes kwamen de afgelopen week op bezoek in Vriezenveen. Een jaar na de reünie van de Rotterdamse ‘Bleekneusjes’, georganiseerd door de vereniging Oud Vriezenveen, kwamen mevrouw A. Nouwens (93) en haar dochter Tiny Dekker-Nouwens (72) naar Vriezenveen om nog eens te kijken in het dorp waar zij het laatste half jaar van de oorlog hebben doorgebracht.

Tante Sjaan, zoals mevrouw Nouwens werd aangesproken door het gastgezin, en Tiny konden vorig jaar door ziekte niet aanwezig zijn bij de reünie. Nu kan dat wel en ze zijn blij hier te zijn. De twee dames hebben nog steeds dierbare herinneringen aan de periode dat ze te gast waren bij de familie Kobes aan het Oosteinde. Bijzonder is het dat zij altijd contact gehouden hebben met de familie, waarvan zij nu alweer kennis hebben gemaakt met de vierde generatie. Natuurlijk moet er een foto worden gemaakt bij de stenen bank op het Platanenplein. Het monument is een gift van dankbare Rotterdam- mers, die hier tijdens de oorlogsjaren onderdak kregen. Adriaantje Josina Nouwens wordt op 4 juli 94 jaar, maar de frêle dame klimt voortvarend op het monument om samen met haar dochter Tiny en haar gastfamilie Betsy Eshuis- Kobes en Leo Eshuis te poseren. Ze kennen elkaar al lang. Leo Eshuis kwam natuurlijk veel later in beeld, maar Betsy Kobes was een half jaar oud toen Tiny van 12 en haar moeder Adriaantje moe en hongerig in februari 1945 onderdak kregen bij de familie Kobes, die inwoonde bij opoe Post, de grootmoeder van het gezin. Plezierige herinneringen en veel dankbaarheid. Die gedachten staan centraal voor mevrouw Nouwens. ‘Het waren schatten van mensen. Als er één familie de hemel heeft verdiend, is het deze wel’, zegt ze nog steeds bewogen. ‘Ik beschouw Betsy ook echt als een dochter. Haar ouders en grootouders zeiden direct: jullie blijven bij ons. Het was gewoon een uitgemaakte zaak’.

De laatste maanden van de oorlog: honger en kou. Vooral in het westen van het land. De twaalfjarige Tiny Nouwens in Rotterdam werd ziek, een probleem met de ingewanden. Haar vader zat op dat moment in Engeland en kon natuurlijk niet terugkomen om zijn gezin bij te staan. Mevrouw Nouwens hoorde van buren dat ze met hun twee kinderen naar Vriezenveen gingen, omdat het daar goed was. Er waren daar inmiddels al vele Rotterdammer-tjes gestationeerd om op krachten te komen. Ze besloot dus ook maar met Tiny de zware tocht te ondernemen. Het was eind januari in de hongerwinter en er lag sneeuw. Met summiere bepakking vertrokken moeder en dochter, samen met de buren, per slee richting betere levensomstandigheden. Ze kwamen die eerste dag tot Gouda. Er werd daar overnacht in een school of een huis, de dames weten het niet zeker meer. Wel weten ze nog dat ze de volgende dag meteen weer naar huis zijn gegaan, omdat de slee niet meer ingezet kon worden. Acht dagen later werd er opnieuw een poging gewaagd. Nu met een fiets, terwijl Tiny de rolschaatsen onder bond. ‘Ik herinner me nog dat Tiny op een gegeven moment bij mij achterop zat en dat op de Amersfoortse weg de remmen het niet meer deden. Als ik er aan denk griezel ik nog. Het was wat heuvelachtig. Heel eng!’, vertelt mevrouw Nouwens. Gelukkig ging het allemaal goed en de twee vluchtelingen vonden uiteindelijk de weg naar het Rode Kruis. In een vrachtauto onder het zeildek ging het daarna wat gemakkelijker richting Zwolle. De familie werd op het station gedropt en mevrouw Nouwens en Tiny weten nog dat ze van mensen eten kregen. De volgende dag ging het weer verder naar Vriezenveen. Het einddoel kwam in zicht en mevrouw Jonker, het hoofd van de vluchtelingenorganisatie in Vriezenveen, bracht de twee Rotterdammers bij de familie Meijer. Hier hebben ze de nacht doorgebracht en de volgende dag werden moeder en dochter op het definitieve adres afgezet aan het Oosteinde, bij Freek en Hanna Kobes- Post met baby Betsy. Ook woonde in het huis opoe Post en daar hebben beide dames eveneens heel tedere herinneringen aan. ‘Oh, dat was zo’n lief mens!’, zegt Tiny. ‘Wij hebben ons hier heel erg thuis gevoeld. Geen wonder dat we nog steeds contact hebben’.

’n Stoet’n met suiker
Er was eten genoeg, maar toch kon Tiny daar in het begin nauwelijks van genieten door haar probleem met de ingewanden. ‘Ik weet nog dat iedereen lekker eten kreeg en ik maar heel weinig in het begin. Maar dat duurde niet zo lang, ik knapte al gauw op. Ook sprak ik al snel vloeiend Vjèns en als ik uit school kwam vroeg opoe meestal: ‘Wost nog ’n stoet’n hebb’n?’. Dat was een roggebrood met suiker. Lekker hoor’. Tiny ging naar school in deze periode en zat op de Rehobothschool. Dat was overigens het minst prettige van deze tijd, weet ze nog. Haar vriendinnetjes Minie en Annie Webbink en Grada zaten op een andere school. Tiny voelde zich op de Rehobothschool niet echt thuis. ‘Het was een behoorlijk eind lopen, vier keer per dag. Nee, ik vond het niet leuk daar, want ik had niet echt aansluiting met de andere kinderen’. Tiny was het liefst thuis, vader Kobes meehelpen op het boerderijtje. Hij was metselaar en had daarbij een boerenbedrijfje. Tiny hielp met veel plezier de koeien melken en tijdens het hooien. Haar moeder, tante Sjaan voor de familie, zegt zich met liefde ‘suf’ te hebben gebreid deze periode in Vriezenveen. Betsy Kobes laat foto’s zien van haar en de andere kinderen, gestoken in ingenieus gebreide truitjes. ‘Allemaal door tante Sjaan gemaakt’, zegt ze. ‘Oude dingen werden uitgehaald en zij breide er weer nieuwe truien en sokken van. ‘We hadden van die Drie Suisses boekjes en daar werden de patronen uitgehaald’. Ook hielp mevrouw Nouwens actief mee in de huishouding en na de oorlog heeft zij dat trouw doorgezet toen moeder Kobes haar andere twee kinderen kreeg. Vanuit Rotterdam kwam zij dan in de kraamtijd om het gezin Kobes te verzorgen. Ze deed het met veel plezier, want de dankbaarheid voor de opvang in die moeilijke oorlogstijd is nog steeds heel groot.

Met opoe Post op de fiets naar de kerk
Mevrouw Nouwens schetst enkele Vriezenveense rituelen die zij meegemaakt heeft en die nog steeds bij de herinnering een glimlach oproepen: de zondagse kerkgang bijvoorbeeld. Eerst lopen en daarna op de fiets. ‘Met opoe Post achterop. Levensgevaarlijk! Het ging met grote drommen naar de kerk en dan moest ik al slingerend met opoe achterop er doorheen zien te fietsen’. Mevrouw Nouwens lacht. Ze noemt ook het eieren eten met Pasen en het luisteren naar de clandestiene radio bij Willem Smelt, die achter de familie Kobes woonde. Dochter Tiny vult aan het zaterdagse ritueel van melkbussen en klompen schuren. De klompen werden daarna gewit. ‘En ik moest rond het huis altijd harken op zaterdag. Het moest er op zondag allemaal perfect uitzien’. Maar ze noemt haar leven in dat laatste oorlogsjaar ‘één en al feest’. ‘Dat komt natuurlijk ook dat mijn moeder hier was. Ik hoefde geen heimwee te hebben, we hadden het beiden fantastisch hier’. In juni was het over voor mevrouw Nouwens. Haar man was teruggekeerd naar Rotterdam en zij kon meerijden naar Utrecht, om daarna per fiets naar huis te reizen. Tiny bleef nog een maandje aansterken in Vriezenveen. Ze vond het niet erg, ondanks het feit dat zij nu iets meer moest aanpakken in het huishouden omdat moeder weg was. In augustus was de logeerpartij echter ook voor Tiny afgelopen en zij moest weer terug naar Rotterdam. Ze weet het nog goed. ‘Ik ben met het comité teruggegaan. Annie, Minie en Dine hebben me weggebracht, ik geloof naar de trein, maar dat weet ik niet meer precies. Wel weet ik dat ik een halve zak met rogge mee kreeg en de schamele kleding die ik toen had. Mijn moeder wist niet dat ik thuis kwam, het was niet zo goed geregeld, en toen ben ik maar alleen op de tram, met die zak rogge in de hand, naar huis gegaan. Moeder keek even vreemd op toen ik aanbelde’.

Hoewel ze uiteindelijk goed de oorlog door zijn gekomen, hoopt mevrouw Nouwens nooit meer zoiets mee te maken. ‘En ik hoop ook niet dat mijn kinderen dat ooit hoeven meemaken’, zegt ze. Het wonderlijkste vindt ze dat er nog steeds contact is met de familie Eshuis- Kobes. ‘Dat is het mooiste. We zijn al met de vierde generatie in contact, de kinderen van Betsy en Leo, en het is nog altijd Tante Sjaan. Ik hoop dat het nog lang zo blijft’.

Artikel uit De Twenterand Courant van 12-05-2005.
Comments