Dorpsgeschiedenis‎ > ‎Grote brand‎ > ‎

'n Groten braond

Gerard Post (16-05-2005) - Het was een stralende lentedag, dinsdag de 16e mei 1905. De zon scheen uitbundig en de appel- en perenbomen stonden in volle bloei. Wel waaide er een felle zuidoostenwind. De Vriezenveners waren bezig met hun dagelijkse werk, zoals de arbeiders in de fabriek van Jansen en Tilanus, de boeren op het land en de kinderen op school. Albertus Jansen (Eupen Bats) was bezig met zijn schilderwerk aan een huis in de buurt van deze kerk. Het was iets na tweeën. Jansen, die op zijn ladder stond, zag plotseling in het oosten rookwolken opstijgen. Hij sprong van zijn ladder, rende naar de toren en luidde de alarmklok. Even later klonk overal in het dorp: "Braond, braond". De brand was uitgebroken in het huis van timmerman Jannes Goosselink (Schjeajans) op het Oosteinde. Zijn huis stond iets ten oosten van de plaats waar nu het viaduct is. Dit bleek het begin te zijn van een grote ramp die zich daarna binnen enkele uren over Vriezenveen voltrok.

De brandspuit, die direct na het luiden van de klok was uitgerukt, werd opgesteld ten westen van het huis van Goosselink, waar de brand was uitgebroken. Men moest al snel terugtrekken omdat de spuit zelf gevaar liep. Men was nog niet op de straat of het tweede en derde huis hadden al vlam gevat. Ook de beide andere brandspuiten van Vriezenveen werden meteen ingezet. Overal waar dit maar mogelijk leek probeerde men de brand te bestrijden. Maar nog voordat men de spuit op de volgende locatie in orde had, sloeg de brand over, soms vier of vijf huizen ver. Het was een ongelijke strijd. De kurkdroge daken van stro en de houten topgevels waren een gemakkelijke prooi voor de vlammen. Stukken van daken vlogen door de lucht evenals brandende stukken spek, die door de felle wind soms veel verder in westelijke richting neervielen en ook daar weer het vuur deden ontstaan. Ongeveer een half uur na het ontstaan van de brand waren al twintig huizen door de brand aangetast.

Volgens de heer J.F. Jonker, de bekende fabrikant die opperbrandmeester was, viel niet tegen het vuur te vechten en moest bijna overal de strijd worden opgegeven. Spuiten en spuitgasten waren spoedig als door een vuurzee omgeven. Ondanks de primitieve brandspuiten, die door mankracht werden aangedreven, en het gebrek aan water, als gevolg van het droge voorjaar, wist men toch een aantal panden te behouden. Men probeerde telkens weer door het nathouden van panden de brand een halt toe te roepen. Maar telkens vervolgde het vuur, aangewakkerd door de harde wind, zijn verwoestende weg in westelijke richting.

Men hoopte de kerken te behouden, maar men bleek niet in staat om het verzengende vuur te keren. Eerst werd de Rooms-katholieke Kerk op het Oosteinde en later ook de Gereformeerde Kerk op het Westeinde een prooi van de vlammen. Deze kerk, de Nederlands Hervormde Kerk, die aan de zuidzijde van het Westeinde staat, bleef wel gespaard. Het was heel opmerkelijk dat sommige panden, die als het ware in de vuurlinie stonden, behouden zijn gebleven, zoals de voormalige Middenschool schuin tegenover deze kerk. Het daarnaast staande gemeentehuis brandde wel geheel af.

Even leek er op dat de brand zou overslaan naar de zuidzijde van het Westeinde, waardoor ook deze kerk gevaar zou lopen. Direct ten westen van deze kerk stond een huis, waarin een snoepwinkeltje was gevestigd. Het huis stond gedeeltelijk op de weg. De vlammen sloegen - vanaf een brandend pand aan de overzijde over de weg - tegen de houten gevel van het huis. De planken schroeiden al en het snoepgoed smolt in de grote stopflessen. Gelukkig draaide de wind net op tijd iets naar het zuiden en bleef de zuidzijde van het Westeinde gespaard.

Omstreeks vier uur had de brand al meer dan de helft van de panden aan de noordzijde van de Dorpsstraat weggevaagd. De mensen deden hun best om te redden wat er te redden viel. Meubels en andere spullen werden uit de huizen gesleept en het vee werd los gelaten. Volgens raadslid Stegeman waren sommige mensen zo verbouwereerd dat ze dwaze dingen deden of werkeloos stonden toe te kijken. Maar volgens hem werden ook daden van durf en in tegenwoordigheid van geest verricht.

Men begon zich grote zorgen te maken over het behoud van de fabriek van Jansen en Tilanus. Verlies van werkgelegenheid zou immers de ramp voor de Vriezenveners nog veel groter maken. Om vijf uur had de brand al een gebouw vlak bij de fabriek aangetast. Bij de fabriek stonden de zoons van de heer Tilanus op het dak van een houten loods met de spuitslang in de hand. Zij probeerden zoveel mogelijk gebouwen nat te houden. Om ongeveer zes uur was de brandweer uit Almelo aanwezig om assistentie te verlenen. Uit het naastgelegen kanaal kon voldoende bluswater worden gepompt. Men slaagde er in de fabriek te behouden. De brand, die inmiddels vier kilometer huizen en andere gebouwen had verwoest, sprong over het kanaal en zette de Westerhoeven, toen nog een veenvlakte, in brand. Gelukkig stonden hier bijna geen huizen.

Door de invallende duisternis werd de verbijstering nog groter. Heel de horizon leek één grote vuurzee. De vlammen gierden in de wind. De Vriezenveners maakten een angstige nacht door. Pas toen het licht werd kwam er enige ontspanning. Het vuur was bijna uit. Toen bleek ook dat de omvang van de ramp nog veel groter was dan men had gevreesd: 228 huizen, 2 kerken en het gemeentehuis lagen in as. 285 gezinnen, ongeveer 1600 personen waren dakloos. Dat was bijna een/derde van de inwoners die Vriezenveen destijds telde. Mensenlevens waren er gelukkig niet te betreuren. Slechts een veulen, enkele varkens en een aantal kippen kwamen in de vlammen om.

De hulp kwam al snel op gang. Reeds op de avond van de brand werden door het leger tenten geplaatst. De Vriezenveners, van wie de huizen gespaard waren gebleven, verleenden maaltijden en onderdak aan de slachtoffers. Het medeleven met de zwaar getroffen Vriezenveners was groot. Uit alle delen van het land, zelfs uit het buitenland kwamen geldbedragen binnen. Mede dank zij deze giften kon al snel met de herbouw worden begonnen.

Op vrijdag 19 mei bezochten koningin Wilhelmina en Prins Hendrik Vriezenveen. De koningin wandelde langs een deel van de verwoeste huizen. Zij bezocht de tent die door G. Jansen (Briegait) werd bewoond. Jansen was hiervoor uitgekozen omdat hij nogal goed zijn woordje kon doen. Belangstellend vroeg de koningin hoe het tentleven beviel en of nog wat van de inboedel kon worden gered. Aan de heer De Lange (van de firma De Lange en Jonker) vroeg de koningin: "Hoe komt Vriezenveen zó'n ramp weer te boven ?" De heer De Lange antwoordde: "Waar uwe Majesteit zo goed is voorgegaan zal dit voorbeeld zeker navolging vinden." Hij doelde daarbij op de grote bedragen die de koningin, Prins Hendrik en de koningin-moeder hadden geschonken. "Daaraan twijfel ik geenszins" merkte de koningin op, "de bekende milddadigheid der Twentenaren geeft daartoe alle hoop". Het bezoek van de Koningin heeft de Vriezenveners zo goed gedaan dat naast de herinnering aan de brand hen ook het bezoek van de koningin is bijgebleven. Wanneer een Vriezenvener over de brand vertelde werd steevast ook het bezoek van de koningin vermeld. "Zie was helemoal neit greuts en zie knikk'n tiejg iedereine", waarmee de koningin werd geprezen om haar eenvoud en innemendheid.

Ook anderen, medelevenden, belangstellenden en nieuwsgierigen kwamen van heinde en verre naar Vriezenveen. Het leek wel of heel Nederland was uitgelopen om de ramp te aanschouwen. Zelfs uit het buitenland kwamen de zogenaamde "braondkiekers". De eerste zondag na de brand, een erg warme dag, was het zo druk in Vriezenveen dat men over de koppen kon lopen. Te voet en met allerlei vervoermiddelen kwam men naar Vriezenveen. Vanuit omliggende plaatsen kwamen kooplui naar Vriezenveen om eten en drinken aan de braondkiekers te verkopen. Er ontstonden, geheel tegen de zin van de Vriezenveners, kermisachtige toestanden. Het massabezoek had echter ook een goede kant. De braondkiekers vertelden bij hun thuiskomst over de enorme verwoestingen en de nood van een groot deel van de bevolking. Dit hielp weer mee om de zo noodzakelijke giften binnen te krijgen.

In het Algemeen Handelsblad schetste de heer Voorbeijtel wat hij zo al waargenomen had tijdens een bezoek aan Vriezenveen vlak na de grote brand. Hij vertelde ondermeer hoe hij een oud boertje aantrof bij een grote hofstee die bewaard was gebleven. Hij stond daar zijn pijp te roken alsof hij daar thuis hoorde. Iemand zei tegen hem: "Nou ole baas, ie bint er best af 'ekomm'n. Heel even schudde de oude man met zijn hoofd en wees met de steel van zijn pijp naar het geblakerde hoopje daarnaast, waar zijn huisje was ineengezakt. Voorbeijtel zag de resten van kachels, potten, lepels en meubels, die versmolten en verkoold uitstaken van onder de restanten van de zwarte spanten en het grauwe metselwerk. "Pas toen" aldus de schrijver, "ben ik gaan voelen hoe groot de ramp is voor die 1600 mensen, die dakloos zijn geworden, al slapen en wonen ze - niet al te weelderig - in de tenten die het Rijk gaf of in de met plaggen gedichte loodsjes, die ze voor zich zelf timmerden. Enkelen waren voldoende verzekerd, velen te laag, velen in het geheel niet. Hoe moet het hun gaan? Er valt hier veel te doen!"

De herbouw van de verwoeste gebouwen werd voortvarend ter hand genomen. Eén jaar na het uitbreken van de brand waren bijna alle verwoeste huizen herbouwd. Kort daarna konden ook de Rooms-katholieke Kerk en de Gereformeerde Kerk weer in gebruik worden genomen.

Vijf en twintig jaar na de brand stond er in het Twentsch Zondagsblad een reportage over wat zich op 16 mei 1905 tijdens de grote brand heeft afgespeeld. Het bleek moeilijk te zijn de Vriezenveners, die de verschrikkelijke dag hadden meegemaakt, aan het praten te krijgen. "Och mijnheer" zei een bekende Vriezenvener tegen de verslaggever, "dat zijn dingen waarover ik liever niet spreek. Ik denk er liever niet aan, want als ik er aan denk, dan zie ik alles weer voor mijn geest opkomen. Dan is het net of ik weer die onafzienbare vlammenzee aanschouw. Dan voel ik als het ware nog de ontzaglijke hitte, die de rijen van brandende huizen afstraalde. Dan haal ik mij weer die tonelen van wanhoop en vertwijfeling voor ogen, van onzegbare schrik en ontzetting van mensen, die machteloos moesten toezien hoe in enkele ogenblikken tijd het vuur hun hele aardse bezit verwoeste". Neen, de meeste ooggetuigen praatten liever niet over de rampdag 16 mei 1905. Gelukkig hebben sommigen dat wel gedaan. Door het opschrijven van deze ervaringen kunnen wij ons nu, honderd jaar later, een beeld vormen van wat 'n groten braond onder de Vriezenveners heeft aangericht.

Geschreven door mr. Gerard Post en voorgedrachten op 16 mei 2005 tijdens de herdenkingsdienst Grote Brand in de Ned. Hervormde Kerk te Vriezenveen.
Comments